Het kostuum van de Gille omvat verscheidene attributen. Laten we ze eens van naderbij bekijken en beginnen met de lenteattributen. Wij mogen immers niet uit het oog verliezen dat de Gille een personage is dat al dansend het feest van de lente viert met alle hoop en beloften die hiermee samengaan. Al deze attributen bestaan nog, ook al hebben ze soms een transformatie ondergaan.

Van alle Gille-attributen is de sinaasappel die hij de toeschouwer aanbiedt ongetwijfeld het beste symbool van de eenheid tussen de Gille en zijn publiek. Deze briefkaart uit 1920 benadrukt dit aspect van de Gille-folklore. (Editions Papet, M. Pestiaux, La Louvière)
Het kostuum van de Gille, ook wel "balot" genoemd in het Waals, bestaat uit een jasje (kiel) en een broek ("marone"). Het geheel is van linnen en geborduurd met figuurtjes: 20 rood en zwarte vilten heraldische leeuwen en 120 sterren in de nationale Belgische kleuren. Het aantal motiefjes verschilt lichtjes in functie van de omvang van het kostuum en van de "louageurs - kostuumverhuurders", de ambachtslui die de Gille-kostuums verhuren. Wij merken hier op dat het om financiële redenen hoogst uitzonderlijk is dat het kostuum dat een Gille draagt ook daadwerkelijk zijn bezit is.

Een Gille met hoed. Het kostuum en de hoofdtooi zijn het resultaat van lang en eentonig werk. Dit werk duurt verscheidene maanden en wordt uitgevoerd door een ambachtsman, "louageur" genaamd. (Foto C. Heymans)
De bulten van de Gille zijn van haverstro. Dit neemt immers het best transpiratievocht op. De "bourreur" of "bosseur" (bultenmaker) maakt de "torquettes" (bundeltjes) stro waarmee hij het kostuumjasje opvult.

Het jasje van het kostuum van de Gille wordt opgevuld met "torquettes" (bundeltjes) haverstro. Dit is het ceremoniële "bourrage" (vullen) of "bossage" (van bulten voorzien) dat gedurende de drie Laetaredagen telkens opnieuw plaatsvindt wanneer de Gille zich aankleedt. (Gemeentearchief)
Onder het jasje wordt een vierkante, witte zakdoek diagonaal geplooid en rond de nek geknoopt. Die voorkomt wrijving en wordt "nekzakdoek" genoemd. Op het hoofd draagt hij een witte bonnet, ook wel "barrette" genoemd.
Een witte zakdoek die verscheidene malen diagonaal werd geplooid loopt onder de kin en wordt boven op het hoofd geknoopt. Op deze manier wordt de bonnet gefixeerd en wordt de kin beschermd tegen de band van de hoed. Deze geplooide zakdoek wordt "bridon" (trens) genoemd.
De kraag of de pelerine is het stuk witte stof dat de schouders van de Gille bedekt. Ze bestaat uit witte of gekleurde, 2 cm brede gevouwen linten; de kleuren zijn een herhaling van de tinten van de hoed. In de vorige eeuw was de kraag van pofzijde en uiterste fijne kant. Nu is ze afgeboord met een franje van gevouwen linten - net zoals de mouwen en beenstukken overigens - met aan de rand goudkleurige festons. Boven de bel ter hoogte van de sluiting van de kraag werd een witte knoop opgespeld van dezelfde textuur als de kraag. Onder aan de mouwen en de broek zitten dezelfde versierselen die dienen als manchetten en beenstukken. De versierselen zitten met gouddraad en fijne kant vastgenaaid. Om de kraag en de versierselen te maken is meer dan 150 meter lint nodig waar een dubbele vouw moet worden ingedrukt. De manchetten en de beenstukken zijn steeds kleiner geworden en bestaan momenteel uit drie gevouwen linten die boven elkaar zijn aangebracht, net zoals bij de beenstukken (6 tot 7 vouwen).

De Gille draagt een bonnet op het hoofd die vastzit met een bridon (trens). De kraag op de schouders is afgeboord met goudfranjes. (Gemeentearchief)
Rond het middel draagt hij "belletjes" of "een belletjesgordel". Deze bestaan uit een strook stof gevuld met korte plantenvezels; de stof is overtrokken met ruwe rode of gele wol in afwisselende verticale banden. Deze strook stof verbergt een leren riem waardoor de haakjes zitten waaraan de belletjes zijn bevestigd. Het aantal hangt af van de omvang van de Gille: meestal zijn het er 7 of 9. De belletjesgordel weegt ongeveer 3 kilogram. Voor 1900 bestond hij meestal uit twee rijen belletjes, maar sedertdien is de riem een heel stuk lichter geworden en wordt er slechts een enkele rij belletjes gebruikt of "apertintailles", zoals dit geheel van belletjes wordt genoemd. Deze riem wordt geacht met zijn geklingel de slechte geesten te verjagen.

De bezem, de bel, de belletjesgordel, de klompen met de rozetten en de mand zijn de voornaamste attributen van de Gille naast zijn kostuum. (Foto Fr. Duquesne)
De mand van de Gille. Het gebruik van de geweven tenen mand geraakt aan het begin van de 20ste eeuw algemeen ingeburgerd. Vroeger gebruikte de Gille eenvoudigweg de slamand, een keukengerei van ijzerdraad dat lang niet zo elegant was. In de mand bewaart de Gille tijdelijk de sinaasappels die hij gaat uitdelen.
Aan de voeten heeft de Gille witte kousen en pantoffels. Daarboven draagt hij populierhouten klompen die voor het carnaval met rozetten van gevouwen lint zijn opgesmukt. Deze rozetten nemen net zoals bij de kraag en de versierselen de eventuele kleuren van de hoed over. Voor 1914 waren de klompen goud geschilderd en liepen ze vaak uit op een min of meer uitgesproken punt. Vandaag zijn ze veel eenvoudiger, net zoals de mand trouwens, die vroeger soms overdadig met linten was versierd. De klompen worden verondersteld de bodem te doen ontwaken met hun gelijkmatig gehamer.

Rond 1870 vertoonden de klompen van de Gille soms een uitgesproken punt, zoals te zien is op deze afbeelding van de broek, beenstukken en klompen van de Gille met Klauwhamer. (Tentoonstelling kunst en folklore, maart 1986, VZW BET)
De hoofdtooi op de hoed van de Gille is vanaf 1900 steeds wit met lentebloemen. De randen of "passe" van de hoofdtooi zijn bekleed met kant en plat, behalve de klep of het voorstuk omgeslagen en versierd met een of drie sterren (vanaf 1890) die symbool staan voor de hoop. Boven de klep herinnert een gouden strohalm aan de toekomstige oogst. Over de schouders en de rug hangen de lange linten die aan de rand van de hoge hoed zijn bevestigd.
De hoed van de Gille bestaat uit ongeveer 250 struisvogelveren. Die kunnen gekleurd of wit zijn, naar keuze van de Gille. Het friseren van de pluimen alleen vraagt 16 uur werk, zonder rekening te houden met de assemblage van de hoge hoed en de voorbereiding van de hoofdtooi. (Foto's Fr. Duquesne)
[Klik op de foto's om ze te vergroten.]
De hoed van de Gille. Voor 1880 waren struisvogelveren te duur of helemaal niet bekend. Voor de hoed werden toen zwarte of grijze hanenveren gebruikt. Tussen 1880 en 1890 geraken de struisvogelveren voor de hoofdtooi stilaan ingeburgerd, maar dan wel in een strakke, wijd uitlopende vorm. De pluimen worden wel alsmaar dikker en langer. Op foto's uit de periode 1890 tot 1895 zien we kleine hoeden met donsveertjes; ze zijn minder dan vier hoofden hoog.

Twee Gilles van Mitant des Camps in 1895.
Ze dragen kleine hoeden, die wel als een van de eerste rond deze periode met struisvogelveren zijn versierd. (Gemeentearchief)
In 1900 wordt de hoed langer, maar blijven de bovenste lussen hetzelfde. Tussen 1900 en 1914 blijft de hoogte van de hoed maar toenemen, tot zes hoofden hoog, wat het uitzicht van de Gille geenszins ten goede komt en bovendien evenwichtsproblemen met zich brengt. In 1920 blijft de hoogte gehandhaafd, maar nemen de rondingen extreme proporties aan. De nadelen wegen dan niet langer op tegen de behoefte om er steeds rijkelijker en mooier uit te zien. In 1950 krijgt de hoed dan uiteindelijk bijna zijn definitieve vorm: hij is lager, maar rijkelijk versierd met gefriseerde donsveren. In 1955 tenslotte kiest men voor de mandarijnvorm, die verwijst naar het fruit dat de vorm van de Gille-hoed het best benadert. Een Gille-hoed weegt tussen 3 en 4 kilogram en bestaat meestal uit 10 tot 14 rijen pluimen. De hoed is wit of gekleurd, naar keuze van de Gille. En alhoewel iedere louageur-kostuumverhuurder zijn eigen kleurprocédé heeft, worden er meestal verven op basis van aniline gebruikt.
De buis van de hoed waarop de veren worden aangebracht weegt op zich al ongeveer 1 kilogram. Wanneer de struisvogelveren worden aangekocht, zijn deze niet gekruld en ongewassen. Hier ligt een grote taak weggelegd voor de "louageur", een typisch ambacht uit de streek van het Centre, dat erin bestaat Gille-kostuums te verhuren. Een Gille-hoed vergt alleen al 16 uur werk voor het friseren alleen om te komen tot de prachtige hoofdtooi die wij nu kennen. Voor elke grote pluim op de hoed zijn er een twintigtal vleugelveren van uitsluitend mannetjesstruisvogels nodig. Deze struisvogelveren zijn van Zuid-Afrika afkomstig. In totaal zijn er zo'n 250 nodig om een hoed te maken.

De Gilles dragen het traditionele wassen masker tijdens het Laetare enkel en alleen op zondagmorgen. (Foto C. Heymans)
Het masker wordt enkel op zondagmorgen gedragen en niet door alle Gilles-verenigingen. Alle Gilles met masker dragen wel allemaal een identiek masker. Het gelaat is roze, de bril groen en de snor en het sikje zijn volgens de Napoleon III-mode. Het masker is van wasdoek en paraffine.